actueel
missie
organisatie
terecht
cmw penning
vernindingen
archief
contact
 

Overzicht actueel

Kan belediging de integratie bevorderen ?

Aanleiding voor dit debat is de tendens dat steeds vaker gelovigen - moslims en christenen - van zich afbijten als ze van mening zijn dat hun geloof wordt aangevallen. De SGP-jongeren deden bijvoorbeeld aangifte tegen Madonna wegens groepsbelediging vanwege een kruisigingsscène in haar optredens. Moslims kwamen in verweer tegen de Deense cartoons en tegen de paus als hij de islam in verband brengt met geweld. En al eerder deden moslims van zich spreken nadat Pim Fortuyn sprak over achterlijk, Theo van Gogh de kreet geitenneuker uitte en Ayaan Hirsi Ali iets zei over een perverse man.

De laatste uitingen werden door moslimgelovigen – en ook anderen – als te beledigend ervaren. Dit had effect. Na de cartoonrellen zijn beelden van Mohammed nauwelijks meer gepubliceerd, Submission II is nog steeds niet uit en een groep van 7 parlementariërs met o.a. Mohammed Rabbae en Hans Dijkstal riep in een pamflet op tot zelfcensuur.

De één noemt het de toon matigen; anderen spreken over politiek correct gedrag.

Hoe goedbedoeld deze matiging van de toon ook mag zijn, de vraag op is of deze ook een positief effect heeft op de vrijheid, de integratie en de emancipatie van de mensen waarvoor het is bedoeld.

Ondertussen was ook een nieuwe discussie ontstaan over het nut van artikel 137c Wetboek van strafrecht dat het opzettelijk beledigen van groepen vanwege niet alleen ras, seksuele geaardheid, maar ook wegens geloof of levensovertuiging verbiedt. De discussie spitste zich met name toe op de vraag of dit laatste onderdeel niet moet worden afgeschaft o.a. omdat het een bepaling betreft waar mensen (i.t.t. ras of seksuele geaardheid) voor kunnen kiezen; geloof betreft een opvatting naast andere die bekritiseerd kan worden. Daarentegen wordt door anderen het argument gehanteerd dat afschaffing van dit verbod het verkeerde signaal zou geven, namelijk het beledigen van groepen nieuwe Nederlanders mag. En met name vanwege dit laatste wordt het verbod niet geschrapt. Temeer omdat slechts zelden op grond van dit artikel iemand wordt veroordeeld.

Maar is dit het hele verhaal. Immers van niet afschaffen van dit artikel zou ook een signaal kunnen uit gaan. Wordt hiermee wellicht gewenst debat over godsdienst en waarden het zwijgen opgelegd? En is de integratie niet juist gediend bij discussie over kernwaarden van de Nederlandse samenleving? Misschien zat er achter de kwalificaties achterlijk, geitenneuker en pervers wel een breder verhaal dat mede door artikel 137c Wetboek van strafrecht niet wordt gehoord. Is deze zelfcensuur een bedreiging voor de vrijheid van meningsuiting, en vormt het daarmee ook een belangrijk obstakel voor de integratie van nieuwe Nederlanders? Over deze vragen ging het debat op 2 oktober in Studio 80.

Aan het debat namen onder ander deel:

Paul Cliteur (hoogleraar rechtswetenschap aan de Universiteit van Leiden)

André Rouvoet (fractieleider voor de Christenunie in de Tweede Kamer),

Ursie Lambrechts (parlementariër voor D’66 in de Tweede Kamer)

Willem van Genugten (hoogleraar internationaal recht aan de Universiteit van Tilburg)

Jit Peters (hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Universiteit van Amsterdam).

Het onderwerp groepsbelediging werd ingeleid door Aernout Nieuwenhuis, auteur van het boek Uitingsdelicten. De gespreksleiding was in handen van Elisabeth van den Hoogen (politiek verslaggever RTV Noord Holland).

Verder waren vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en universiteiten vertegenwoordigd. Dat betrof onder ander Joyce Hamilton (vice voorzitter van het COC), Haci Karacaer (voormalig directeur van Mili Gorus), Albert Benschop (Mediastudies Universiteit van Amsterdam) en Egbert Dommering (hoogleraar informatierecht aan de Universiteit van Amsterdam).

Op de openingsvraag van de gespreksleidster, Kan belediging de integratie bevorderen? waren alle deelnemers aan het panel het eens: In deze bewoordingen in ieder geval niet. Afgezien van het eensluidende antwoord op deze vraag waren de meningen zeer divers.

 

Van Genugten benadrukte dat de bepalingen bedoeld zijn ter bescherming van minderheidsgroepen en dat het wetsartikel moet worden behouden als uiterste rechtsmiddel.

In eerste instantie dient natuurlijk de vrije pers om weerwoord te bieden aan mensen die zijn geloof opzettelijk zouden beledigen, aldus Van Genugten. ‘Maar als dat alles niet leidt tot een stevige nuancering van ingenomen stellingen, dan zou ik mijn toevlucht willen zoeken tot het strafrecht.’

Volgens Peters gaat van het artikel een ‘chilling effect’ uit. Angst voor belediging wegens godsdienst of levensovertuiging beperkt de vrijheid van meningsuiting waarmee de politieke correctheid wordt gestimuleerd. Dit kan tot gevolg hebben dat op basis van deze bepaling mensen zouden kunnen proberen Hirsi Ali de mond te snoeren. Overigens ziet Peters ook niets in de overige bepalingen die het beledigen wegens ras en homoseksualiteit verbiedt. Alleen als uitingen oproepen tot geweld en sprake is van een duidelijk en onmiddellijk gevaar van geweld, zou de vrijheid van meningsuiting ter zijde kunnen worden geschoven.

Lambrechts voegde een ander invalshoek toe. Zij vroeg zich af waarom alleen gelovigen worden beschermd en dat zij met hun geloof als pretext wel worden beschermd als ze andere groepen zouden beledigen. Voorbeelden hiervan zijn de vrijspraak die Van Dijke en El Moumni ten deel vielen, toen ze opmerkingen over homoseksuelen maakten.

Rouvoet benadrukt dat de bepaling het opzettelijk beledigen van gelovigen strafbaar stelt en dat het daarmee geen gevaar is voor de vrijheid van meningsuiting. Bovendien is volgens hem niet iedereen even mondig en in het geval dat mensen minder de capaciteit hebben om zich te verweren tegen belediging, dan kan het goed zijn dat de rechter spreekt. Hij refereerde als voorbeeld aan het beledigen van gehandicapten. Dat neemt niet weg dat Rouvoet van mening is dat kritiek op een religie moet kunnen. “We moeten tegen een stootje kunnen.” 

Cliteur was van mening dat al dan niet afschaffen van artikel 137c er niet toe doet. Mensen laten zich niet leiden door een dergelijk artikel. Wel maakt hij zich zorgen over de religieuze gevoeligheid die steeds groter wordt. Cliteur vindt dat de zelfcensuur aan het toenemen is en dat als gevolg van de dreiging met geweld kritiek op de islam niet altijd wordt geuit. Hij refereerde aan toneelstukken die worden afgelast onder druk van beledigde gelovigen.

 


top page