actueel
organisatie
terecht
cmw penning
vernindingen
archief
contact
cover
nummer70

nummer 73
nummer 72
nummer 71
nummer 70


introductie

Standpunten politieke partijen op het gebied van aanpak kindermishandeling
In Nederland sterft elke week een kind aan de gevolgen van kindermishandeling. Die gruwelijke constatering is volgens onderzoekers slechts het topje van de ijsberg. Zij schatten dat jaarlijks 80.000 kinderen worden mishandeld.
Hoe heeft het zover kunnen komen in een 'beschaafd' land als Nederland? Je zou kunnen spreken van een nationale ramp. Of valt het allemaal wel mee? Welke voorstellen dragen politieke partijen aan voor de verbetering van het beleid en het ontstaan van mogelijke oplossingen? En zijn ze het eens met de manier waarop de regering het op dit moment wil aanpakken?
Alle partijen zijn het er over eens dat het probleem onaanvaardbaar is. Men noemt de lange wachttijden en het buitensporige papierwerk als oorzaak van het voortbestaan van kindermishandeling. Maar waarin verschillen de partijen ? Een weergave van de standpunten:


M. de Pater, CDA:
Vertrouwen op het inzicht van de gezinsvoogd
'De aandacht moet niet alleen naar de bestrijding van kindermishandeling gaan, maar ook naar het onderkennen van het probleem. Het mag niet meer onder de tafel worden geschoven. Professionals en werknemers van het onderwijs moeten een alertere houding aannemen en interveniŽren als ze signalen opvangen. Dat geldt eveneens voor de politie wanneer het om huiselijk geweld, waaronder kindermishandeling, gaat. Voorheen was het een morele kwestie in hoeverre officiële instanties zich met privé-personen mochten bemoeien. Dat moet dus veranderen. Hoe het kan dat de wachttijden zijn toegenomen sinds het instellen van het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK), is mij niet helemaal duidelijk. Er moet natuurlijk eerst veel uitgezocht worden over wat de beste oplossing is, voordat er een maatregel kan worden genomen. Maar aan de andere kant vind ik dat kinderen sneller uit huis moeten worden gehaald, indien geweld niet te voorkomen is. Ik vertrouw op het inzicht van de gezinsvoogd. Die moet, om het kind te beschermen, acute maatregelen, als uithuisplaatsing, durven nemen.'

M. Örgü, VVD:
Opvoedcursus wettelijke verplichting
'Ik vermoed dat de cijfers over het aantal mishandelde kinderen per jaar geen juiste weergave is. Het betreft het aantal dat aangemeld is. Dit is slechts een topje van de ijsberg. Dat blijkt uit het feit dat nu er &ecute;én meldpunt is, de aanmeldingen stijgen. Er moet veel gedaan worden aan preventie. Als eerste moeten de consultatiebureau's alert zijn op de symptomen van kindermishandeling. Daarnaast kan men van tevoren voorspellen welke ouders een risico vormen. Deze risicogroep, van bijvoorbeeld verslaafden, tienermoeders en moeders met een psychische ziekte, zijn zelf al bekend in het zorgsysteem. Zij zouden wettelijk verplicht moeten worden gesteld om een opvoedcursus te volgen.'

U. Lambrechts, D66:
Slachtoffers in jeugdgevangenissen opbergen is ook kindermishandeling
'De nieuwe Wet op de Jeugdzorg, die per 1 januari van kracht is, maar nu al in werking is gesteld, doet de bureaucratie niet afnemen. Na dat ene meldpunt raakt men namelijk verstrikt in een wirwar van honderden instanties, waar langs elkaar heen wordt gewerkt. Het slachtoffer wordt van de ene hulpverlener naar de andere gestuurd en komt regelmatig op een willekeurige plek terecht - niet noodzakelijk de juiste. Een schrikbarend voorbeeld hier zijn de gevallen van meisjes met incestervaring of die beschermd moeten worden tegen een 'loverboy', die in een jeugdgevangenis terecht komen. De jeugdgevangenis was bedoeld als een noodoplossing, crisisopvang. Het lijkt nu een permanente oplossing voor een grotere groep te worden. De slachtoffers moeten zich aan dezelfde regels houden als een gewone gevangene en het duurt lang voordat er geestelijke of lichamelijke hulp komt. Ook dit is een vorm van kindermishandeling!'

E. Kalsbeek, PvdA:
De provincie moet meer verantwoordelijkheid nemen
'Laatst is er een publiekscampagne 'Meldpunt kindermishandeling' gelanceerd, waardoor het aantal meldingen is gestegen en de nood dus nog hoger is geworden. Ik vind dat de provincie meer prioriteit aan het probleemstuk kindermishandeling moet geven en middelen beschikbaar moet stellen. Ze moeten meer verantwoordelijkheid tonen. Om de wachtlijsten terug te dringen, zouden de behandelplaatsen en pleeggezinnen moeten worden uitgebreid. Daarnaast moet er worden gekeken of er wel voldoende efficiŽnt wordt gewerkt. In de jeugdhulpverlening maakt men te veel gebruik van formulieren. Dat kan minder. En op de werkvloer moet worden bekeken hoe en waar men efficiënter kan werken. De precieze invulling daarvan, laat ik aan het provinciale bestuur en de mensen op de werkvloer over.'

E. Tonkens & M. Vos, GroenLinks:
Huisartsenmodel
'Wij betitelen de hedendaagse jeugdzorg als een goedbedoelde ramp. Is een jongere van de wachtlijst voor het Bureau Jeugdzorg af, dan wordt hij door Bureau Jeugdzorg doorverwezen naar een nieuwe (vaak lange) wachtlijst. De Groenlinksfractie vindt dat het huisartsenmodel geïntroduceerd zou moeten worden. In dit model blijft één persoon tijdens het gehele traject verantwoordelijk. De verantwoordelijke, oftewel huis(jeugd)hulpverlener stelt de diagnose, maar helpt ook meteen waar hij kan. Als de huishulpverlener het zelf kan, dan biedt hij de zorg. Als er specialistische hulp nodig is, verwijst hij door. Na de specialistische behandeling komt de jongere weer terug bij de jeugdhulpverlener. Dit huisartsenmodel lost twee belangrijke problemen op: het is niet bureaucratisch van opzet ťn het voorkomt dat allerlei hulpverleners langs elkaar heen werken, terwijl niemand verantwoordelijkheid neemt. Het huisartsenmodel stelt de hulprelatie centraal en laat jongeren niet zwemmen in de wirwar van regels en procedures. Hiermee kunnen situaties als Savannah beter worden voorkomen.'

A. Kant, SP:
Bureau Jeugdzorg meer initiatief
'Ik vind dat het huidige kabinet geen daadkracht toont. Als er een melding wordt gedaan bij een AMK, is dat geen garantie dat er meteen wordt gehandeld. Dit komt omdat Bureau Jeugdzorg te veel een doorverwijsfunctie heeft gekregen. Ze mogen zelf weinig initiatief nemen. Bovendien raken te veel instanties bij één zaak betrokken. Dat veroorzaakt veel papierwerk en een grote wachtlijst. Je zou beter kunnen proberen één geval bij één hulpverlener te houden. Het vele papierwerk is wel nodig, maar alleen als het in het belang van het kind is en niet in het belang van de verantwoording. Minister Donner gaat een nieuwe wet invoeren, waarin staat dat kinderen recht hebben op een geweldloze opvoeding. Hier sta ik geheel achter. Hoewel de consequenties nog onduidelijk zijn, geeft het een norm aan.'

M. Kraneveldt, LPF:
Versoepeling op de privacybescherming
'Er zou &ecute;én coördinator aangesteld moeten worden. Hij heeft het beheer over het dossier van het kind en volgt het gehele proces. Een zorgteam in een gemeente zou per geval moeten bekijken wie de juiste coördinator is. Deze hoeft dus niet per definitie van eenzelfde instantie te komen. Daarnaast moet er een beter volgsysteem komen. Nu wordt er wegens privacybescherming niet met elkaar gecommuniceerd. Met als gevolg dat de verschillende instanties niet goed genoeg van op de hoogte zijn van elkaars aanpak en er langs elkaar heen wordt gewerkt. Daarvoor zou de wet op privacybescherming op het gebied van de bestrijding van kindermishandeling moeten worden versoepeld.'

B.J. van der Vlies, SGP:
Eerst de kerk, dan de staat
'Als eerste moet je het probleem bekend maken. En vervolgens daar ingrijpen waar het absoluut noodzakelijk is. De SGP vindt dat men pas mag ingrijpen als het absoluut noodzakelijk is. Want boven alles speelt voor ons de grote vraag waar de rol en verantwoordelijkheid van de overheid begint. Ik steun bijvoorbeeld wel het idee van opvoedcursussen. Maar tegelijkertijd dienen we zeer behoedzaam te zijn voor een overheid die te diep in de privé-sfeer ingrijpt. Alleen als ouders het nodig hebben, is een staatsopvoeding welkom. Aanvankelijk moet het gezin het zelf oplossen, vervolgens zou de familie kunnen ingrijpen, daarna de kerk en als laatste pas de overheid. Daarnaast zal het ook moeilijk zijn de vorderingen in een opvoedcursus te meten. Misschien is wel het allerbelangrijkste dat mensen elkaar aanspreken op hun eigen verantwoordelijkheid, zowel officiŽle instanties als mensen uit de directie omgeving.'

Georgette Panman

top page