actueel
organisatie
terecht
cmw penning
vernindingen
archief
contact
cover
nummer70

nummer 73
nummer 72
nummer 71
nummer 70


introductie

Seksuele uitbuiting van kinderen
In april van dit jaar presenteerde de organisatie ECPAT Nederland een rapport over kinderhandel voor seksuele doeleinden van Oost naar West Europa. De onderzoekers constateerden dat kinderhandel voornamelijk voort blijft bestaan door het grote aanbod aan minderjarigen in Oost Europese landen. Theo Noten licht toe wat er verstaan wordt onder seksuele uitbuiting en hoe het effectief aangepakt kan worden.

Inleiding
Seksuele uitbuiting van kinderen is een fenomeen van alle tijden, dat overal ter wereld voorkomt. De afgelopen eeuw heeft de grote toename van het (vlieg)verkeer enerzijds gezorgd voor de bevordering van kindersekstoerisme en anderzijds voor de vergemakkelijking van kinderhandel. Door de gigantische groei van het internetverkeer heeft ook de verspreiding van kinderpornografie een enorme vlucht genomen. Bovendien zorgt de anonimiteit van het internet ervoor dat dit medium ook wordt gebruikt door kinderlokkers. Verkoop en handel in kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie komen zeker niet alleen voor in minder ontwikkelde landen, maar ook in ontwikkelde landen zoals Nederland.
Over het aantal minderjarige slachtoffers van seksuele uitbuiting doen voornamelijk schattingen de ronde. Een cijfer dat steeds weer terugkeert, is een miljoen kinderen wereldwijd, dat jaarlijks het slachtoffer zou zijn van prostitutiepraktijken, misbruik in pornografische afbeeldingen en mensen-handel. Het betreft vooral meisjes, maar ook jongens zijn het slachtoffer. Het gaat om jonge kinderen, maar vooral om kinderen in de leeftijd tussen dertien en achttien jaar. Slachtoffers van seksuele uitbuiting blijken vaak ook een verleden van misbruik, mishandeling en verwaarlozing te hebben.
De thema's kinderprostitutie, kinderpornografie en kinderhandel staan sinds 1996 hoog op de politieke agenda en ook in de media wordt er nog geregeld aandacht aan besteed. In 1996 vond de Eerste Wereldconferentie tegen commerciŽle seksuele uitbuiting van kinderen plaats. In hetzelfde jaar werd bovendien de Belg Marc Dutroux opgepakt, verdacht van onder andere seksueel misbruik, seksuele uitbuiting en moord op ten minste drie minderjarige meisjes. De onderwerpen kinderprostitutie, kinderpornografie en handel in kinderen voor seksuele doeleinden hebben destijds wekenlang wereldwijd de media beheerst. De publieke verontwaardiging was groot. In België gingen honderdduizenden mensen de straat op om voor maatregelen te pleiten. Het aantal internationale verdragen, afspraken, conferenties dat aandacht schenkt aan seksuele uitbuiting van minderjarigen en een bijdrage wil leveren aan de bestrijding daarvan is sinds 1996 enorm gegroeid. Op het gebied van wetgeving is veel gebeurd, vooral de zedelijkheidswetgeving heeft de afgelopen jaren een aanzienlijke verandering doorgemaakt. Het is zeer de vraag wat voor effect deze ontwikkelingen inmiddels hebben gehad en of er ook minder slachtoffers zijn van zedenmisdrijven. Het blijft moeilijk om hier zicht op te krijgen omdat het zich in de meeste gevallen nog steeds in het verborgene afspeelt.

Seksuele exploitatie van kinderen in Nederland
Seksueel misbruik van kinderen bestrijkt een breed terrein en heeft veel facetten. Het komt voor binnen en buiten de privé-sfeer (gezin, familie, scholen, sportverenigingen, inrichtingen) en in de commerciŽle sfeer (kinderprostitutie, kinderhandel, kinderpornografie en kinder-sekstoerisme). Seksueel misbruik van kinderen in een commerciële context en vergelijkbaar misbruik in een niet-commerciële sfeer zijn van elkaar te onderscheiden, maar niet te scheiden. Seksuele uitbuiting speelt zich veelal af in het illegale en informele circuit. Er zijn weinig cijfers beschikbaar, maar volgens onderzoek van het Nederlands Instituut voor Sociaal Seksuologisch onderzoek (NISSO) zijn er naar schatting ongeveer 1500 minderjarige meisjes werkzaam in de prostitutie (Venicz & Vanwesenbeeck 1998). Een onderzoek in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het ministerie van Justitie geeft een conservatieve schatting van tenminste 1500 jongens die werkzaam zijn in de prostitutie (Van Horn, Bullens, Doreleijers & Jägers 2002). In Nederland wonende meisjes die in de prostitutie terechtkomen, zijn vaak geronseld door zogenaamde 'loverboys'. 'Loverboys' is de in Nederland in zwang geraakte benaming voor jongens die een relatie met een meisje aangaan met als doel haar te prostitueren en uit te buiten en is daarom te zien als een vorm van mensenhandel . Deze jongens hebben het gemunt op kwetsbare meisjes, die uiterst gevoelig zijn voor de aandacht die de loverboy hun geeft. Ook is bekend dat meisjes in de opvangcentra voor alleenstaande minderjarige asielzoekers (AMA's) slachtoffer worden van 'loverboys'. Daarnaast vinden ook binnen de opvangcentra seksueel misbruik en prostitutie plaats tussen bewoners onderling. Vooral meisjes worden hiervan het slachtoffer (ECPAT Nederland 2003). Het komt regelmatig voor dat kinderen naar Nederland worden gesmokkeld en vervolgens in Nederland of in een ander land van de Europese Unie in de prostitutie belanden. Dit gebeurt op verschillende manieren. Een aantal kinderen wordt door mensenhandelaren illegaal naar Nederland gesmokkeld om ze dan in de (gesloten circuits) van de prostitutie te exploiteren. Een andere manier is dat de handelaren de asielprocedure voor AMA's gebruiken om de kinderen naar Nederland te brengen. Meestal verdwijnen deze kinderen na een aantal dagen uit de opvangcentra, met onbekende bestemming.

Maatregelen ter bestrijding van handel in minderjarigen
De aandacht voor minderjarigen in de prostitutie en dan met name voor het verschijnsel 'loverboys' is de laatste jaren gestegen. Er komen steeds meer signalen vanuit gemeentes, politie en scholen dat het probleem zich ook daar afspeelt en er worden steeds meer initiatieven genomen op het terrein van preventie en hulpverlening om het probleem tegen te gaan. Om te voorkomen dat alleenstaande minderjarige asielzoekers in de prostitutie belanden zijn maatregelen getroffen door de bij de opvang betrokken instanties, zoals een versnelde doorplaatsing van deze kinderen naar veilige adressen in de decentrale opvang, een goede voorlichting aan de kinderen, toezicht en lokale samenwerking tussen de opvangcentra, de Vreemdelingendienst, zedenpolitie en jeugdzorginstellingen. Ondanks deze maatregelen verdwijnen nog steeds kinderen uit de opvangcentra.

Aanpassing Zedelijkheidswetgeving
Sinds 1 oktober 2000 is de Wet van 9 november 1999 Opheffing Bordeelverbod van kracht. Met deze wet wordt geprobeerd de seksindustrie te reguleren. Tegelijkertijd is prostitutie van minderjarigen expliciet strafbaar gesteld, zowel voor exploitanten als voor klanten. De controle hierop vindt op lokaal niveau plaats. In een evaluatierapport van het WODC (2002) is men voorzichtig positief over de effecten van de wet, hoewel men ook concludeert dat meer energie gestoken moet worden in de aanpak van illegale vormen van prostitutie, zoals mensenhandel en de betrokkenheid van minderjarigen in de prostitutie (Goderie, Spierings & Ter Woerds (2002: 105-106). Per 1 oktober 2002 is de leeftijd van minderjarigen die betrokken worden bij productie, distributie en bezit van pornografisch materiaal verhoogd van zestien naar achttien jaar. In dezelfde wetswijziging is ook virtuele kinderporno strafbaar gemaakt. Bovendien is ter bestrijding van kindersekstoerisme de dubbele strafbaarheid afgeschaft voor seksueel misbruik van minderjarigen in het buitenland. Het klachtvereiste als formele voorwaarde voor vervolging van seksueel misbruik van kinderen van twaalf tot zestien jaar is afgeschaft en wordt vervangen door een verplicht horen van de slachtoffers. Het klachtvereiste is per 1 oktober 2000 reeds vervallen indien het om prostitutie gaat (artikel 245, lid 2 Wetboek van Strafrecht).

Samenwerkingsmodellen en draaiboeken
Voor de aanpak van seksueel geweld tegen kinderen is samenwerking tussen politie, Openbaar Ministerie, hulpverleningsorganisaties en scholen een voorwaarde. De gemeen-telijke overheid is verantwoordelijk voor de aansturing van het plaatselijke voorzieningenapparaat, terwijl de provin-ciale overheid de regie heeft over de (jeugd)hulpverlening. Voor gemeenten en provincies is in opdracht van het Ministerie van Justitie een draaiboek opgesteld over de aanpak van kinder-prostitutie.

Onderzoek en publieksvoorlichting
Er zijn verschillende onderzoeken gedaan naar het vöörkomen van seksueel geweld, naar de risicofactoren en de risicogroepen. Bij het Ministerie van Justitie zijn verschillende brochures verkrijgbaar, zoals de brochure 'Seksueel misbruik van kinderen, aard, omvang, signalen, aanpak' en de brochure 'Seksueel geweld'. Voor politie, justitiefunctionarissen en hulpverleners is de zogenaamde Zedenalmanak samengesteld. Deze almanak geeft informatie over de zedelijkheidswetgeving, mogelijkheden op het gebied van hulpverlening, adressen en relevante literatuur. Daarnaast heeft het Ministerie van Justitie ter informatie van een breed publiek een website ingericht: www.seksueelkindermisbruik.nl.

Minderjarige prostituees
Voor de ontwikkeling van methodieken voor het vroegtijdig bereiken en de rehabilitatie van minderjarige prostituees is aan Stade Advies (Utrecht) de opdracht verleend een systematische beschrijving te maken van al bestaande methodieken. Op grond van deze beschrijving is een handboek met 'good practices' gemaakt. Daarnaast subsidieert het ministerie van VWS structureel de Stichting Tegen Vrouwenhandel (STV). Zij verlenen zorg en hulp aan slachtoffers van vrouwenhandel, waaronder ook minderjarigen. De stichting werkt nauw samen met zorg- en hulpverlenende instanties, politie en justitie, aanmelders van vrouwenhandel en de landelijke en gemeentelijke overheden. Voorbeelden hiervan zijn de samenwerking met Nidos (voogdij-instelling voor AMAĻs) voor AMAĻs die in de prostitutie zijn beland en de samenwerking ten behoeve van autochtone en allochtone prostituees met de jeugdzorg, de vrouwenopvang en de maatschappelijke opvang. Gemeentelijke overheden staat het vrij de specifieke uitkering voor vrouwenopvang tevens aan te wenden voor opvangvoorzieningen voor minderjarige prostituees. Voor het opvanghuis Asja in Leeuwarden met plek voor minderjarigen die uit de prostitutie willen is uit de begrotingsmiddelen van VWS met ingang van 2002 structureel een half miljoen euro beschikbaar gekomen.

Internationaal

Europa
Dutroux veroorzaakte in 1996 niet alleen een storm van verontwaardiging en afgrijzen in België, maar ook in andere Europese landen. In die periode was er ook volop de discussie over wat later (december 1997) het Verdrag van Amsterdam is geworden. Tijdens deze discussie zijn er ook pogingen gedaan de aanpak van misbruik van kinderen tot een Europees onderwerp te maken. Uiteindelijk zijn in het Verdrag van Amsterdam als gemeenschappelijk thema in het hoofdstuk over 'justitie en binnenlandse zaken' in artikel K1 'misdaden jegens minderjarigen' opgenomen in de zogenaamde 'derde zuil' van de EU-activiteiten, dat wil zeggen als onderwerp van intergouvernementele aandacht (Meuwese, 2000: 139). De Raad van ministers van de Europese Unie nam in het jaar 2000 twee Kaderbesluiten aan. De Besluiten geven de lidstaten aanwijzingen tot het volgen van een aantal richtlijnen met betrekking tot: 1. Het bestrijden van mensenhandel; 2. Het bestrijden van seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie. De lidstaten dienen gemeenschappelijke definities aan te nemen, te zorgen voor wetgeving en bijbehorende sanctionering, zorg te verlenen aan slachtoffers en met elkaar samen te werken. Als resultaat zullen er in de hele Europese Unie gemeenschappelijke maatregelen op het gebied van strafrecht, rechtspraak en politie zijn om kinderen te beschermen tegen seksuele uitbuiting en om daders te pakken en te bestraffen. De instellingen van de Europese Unie zullen toezicht houden op de implementatie van de Kaderbesluiten. In 2004 rapporteert de Raad van Ministers in hoeverre de lidstaten de verplichtingen uit de Kaderbesluiten zijn nagekomen. Ter voorbereiding van het Tweede wereldcongres tegen commerciŽle seksuele uitbuiting van kinderen in december 2001 in Yokohama, heeft de Raad van Europa op 31 oktober 2001 'Recommendation Rec(2001)16 of the Committee of Ministers to member states on the protection of children against sexual exploitation' aangenomen. Hierin wordt opgeroepen tot samenwerking en het nemen van maatregelen ter bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting. Ook wordt aangegeven dat in 2004 gemeten zal moeten worden wat er dan bereikt is en hoeverre voldaan is aan de gezamenlijke afspraken. In 2005 zal hierover een bijeenkomst georganiseerd worden door Slovenië.

Het Comité inzake de Rechten van het Kind
Het Comité inzake de Rechten van het Kind (zie hoofdstuk 1) blijkt in zijn commentaren op de landenrapportages nauwelijks of geen onderscheid te maken tussen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik. Bovendien komt het thema meestal pas aan het eind van het rapport aan de orde, waardoor er vaak weinig tijd is voor discussie. De Agenda for Action, het resultaat van het Eerste Wereldcongres tegen commerciŽle seksuele uitbuiting van Kinderen in 1996, wordt inmiddels wel als referentiepunt gebruikt bij de discussies. Ook het Facultatief Protocol vereist dat de landen die het geratificeerd hebben, moeten rapporteren aan het Comitť. Landen die geen partij zijn bij het IVRK, kunnen het Facultatief Protocol wel ratificeren. Dit geldt bijvoorbeeld voor de Verenigde Staten. Landen die het IVRK hebben geratificeerd, nemen hun rapportage over het Facultatief Protocol op in hun IVRK rapportage.
Speciale VN-rapporteur inzake de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie
In 1990 werd door de VN een resolutie (resolutie 1990/68) aangenomen om een Speciaal Rapporteur inzake de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie aan te stellen ( Special Rapporteur on the sale of children). De rapporteursfunctie is een onbetaalde functie en wordt tot nu toe door iemand vervuld met een juridische of wetenschappelijke achtergrond. De rapporteur moet seksuele uitbuiting van kinderen over de hele wereld onderzoeken en daarover rapporteren aan de VN-Mensenrechten-commissie. Op basis van de onderzoeken doet hij aanbevelingen aan regeringen, andere VN-organisaties en NGO's over de bescherming van de rechten van de kinderen in kwestie. De huidige Speciaal Rapporteur vraagt zelf geregeld informatie over de situatie in landen onder andere bij partners in het internationale ECPAT netwerk, zoals ECPAT Nederland.

Wereldcongressen tegen commerciële seksuele uitbuiting van kinderen
In 1996 werd in Stockholm het Eerste Wereldcongres tegen commerci7euml;le seksuele uitbuiting gehouden. De aanwezige landen (in totaal 122) namen een Agenda for Action aan. De Agenda for Action verplichtte alle landen ertoe in 2000 een Nationaal Actieplan tegen seksuele uitbuiting van kinderen in werking te hebben. Het tweede wereldcongres tegen commerciële seksuele uitbuiting van kinderen was in december 2001 in Yokohama, Japan. In het Yokohama Global Commitment wordt de Stockholm Agenda for Action herhaald en bekrachtigd en een oproep gedaan aan alle landen om nationale actieplannen op te stellen. Beide wereldcongressen werden gezamenlijk georganiseerd door UNICEF, ECPAT, de NGO Group for the Convention on the Rights of the Child en de gastlanden, respectievelijk Zweden en Japan (voor meer informatie: www.csecworldcongress.org).

Het Internationale Strafhof
In juli 2002 werd het Internationale Strafhof geïnstalleerd (uitvoering van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof van 1998). Tot de jurisdictie van dit strafhof behoort ook de individuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor gedwongen prostitutie, seksuele slavernij, oorlogsmisdaden en misdaden van grensoverschrijdende of binnenlandse agressie, mits deze misdaden op systematische of uitgebreide wijze zijn begaan. Het strafhof kan alleen zaken behandelen van na juli 2002. Individuen kunnen vervolgd worden door de Veiligheids-raad, door een lidstaat of door de Internationale Aanklager van het Strafhof. NGO's kunnen misdaden van systematische en uitgebreide aard aanhangig maken bij de aanklager.Tot de sancties behoren boetes of gevangenisstraf. Slachtoffers kunnen compensatie eisen.

Discussie en kritiek over de aanpak van seksuele exploitatie van kinderen
De problematiek van seksuele uitbuiting van kinderen staat internationaal
onmiskenbaar op de politieke agenda. De diverse VN-verdragen en de conferenties en seminars die de afgelopen jaren gehouden worden over dit thema, getuigen daarvan. De implementatie van al deze verdragen op regionaal, nationaal en lokaal niveau gaat daarentegen zeer langzaam. Het ontbreekt ook vaak aan internationale samenwerking tussen instanties, politie, justitie en opvang. In vergelijking met de periode vůůr de Eerste Wereldconferentie tegen commerciŽle seksuele uitbuiting van kinderen is weliswaar het een en ander ten goede veranderd. De positie van kinderen die te maken hebben met seksuele uitbuiting of die daartoe risico lopen is echter nog onvoldoende verbeterd. Het aantal kindslachtoffers is eveneens niet afgenomen. Economische achteruitgang, gewapende conflicten, politieke instabiliteit, een grotere tegenstelling tussen arm en rijk, maar ook technologische ontwikkelingen op het gebied van anonieme communicatie, toename van de mobiliteit en globalisering hebben een negatief effect.

Nederland
Op 11 november 2002 is de eindrapportage van het NAPS (Nationaal Actieplan Aanpak Seksueel Misbruik Kinderen) aangeboden aan de Tweede Kamer. Een evaluatie van het actieplan heeft echter niet plaatsgevonden. Het is dan ook niet duidelijk of de doelstellingen van het plan gehaald zijn of niet. In de aanbiedingsbrief van de minister van justitie wordt vermeld dat de aanpak van seksueel kindermisbruik zijn vervolg krijgt in de aanpak van huiselijk geweld zoals verwoord in de nota 'Privé geweld - publieke zaak' (2002). De aanpak van commerciŽle seksuele uitbuiting van kinderen krijgt daarin echter helemaal geen aandacht. Het is dan ook onduidelijk hoe deze problematiek structureel bestreden wordt. De afgelopen jaren is de wetgeving ter bestrijding van seksuele uitbuiting nog verder aangescherpt. Een wettelijk instrumentarium is echter niet voldoende. Het schort met name aan capaciteit voor handhaving en aan de mate en het niveau van deskundigheid bij de uitvoerende diensten van politie en justitie. Vooral het effect van de Wet Opheffing Bordeelverbod op handel in en exploitatie van minderjarige prostituees zal goed in de gaten gehouden moeten worden om te voorkomen dat illegale prostitutie, onder andere die van minderjarigen, zich nog meer in het verborgene zal afspelen. De omstandigheden waaronder dit plaatsvindt, zullen hierdoor alleen maar verslechteren. Meer aandacht van politie en justitie voor dit fenomeen is dan ook noodzakelijk. Verder zijn preventieve maatregelen en specifieke opvang en hulpverlening voor slachtoffers slechts sporadisch en lokaal beschikbaar. Dit soort maat-regelen en voorzieningen zou op zijn minst regionaal beschikbaar moeten worden en zouden moeten gelden voor heel Nederland. Het blijft onduidelijk in hoeverre de bestrijding van verkoop en handel in minderjarigen, prostitutie van minderjarigen en kinderpornografie structureel is ingebed. Ook is er nog steeds geen goed beeld van de omvang van de problematiek.

Laatste ontwikkelingen
Momenteel is ECPAT-Defence for Children International Nederland gesteund door Plan Nederland en in samenwerking met Unicef Nederland bezig met een onderzoek naar uitbuiting van kinderen in Nederland. De Nederlandse overheid is bezig met het ontwikkelen van een Plan van aanpak voor de prostitutie met daarbij speciale aandacht voor jeugdprostitutie. In samenhang met komst van een nieuw wetsartikel in de Nederlandse strafwet betreffende mensenhandel komt er een Nationaal Actieplan Aanpak Mensenhandel met daarin specifiek aandacht voor minderjarigen. Ook heeft minister Donner van Justitie een verzoek van het Platform Jeugd-prostitutie in behandeling genomen om een landelijk expertise centrum jeugdprostitutie op te richten.

Literatuur
Daalder, A.L. (2002). Het bordeelverbod opgeheven: prostitutie in 2000-2001. Den Haag: WODC.
ECPAT-Nederland (2003). Minderjarigen in de prostitutie in Nederland, een quick scan. Amsterdam: ECPAT-NL.
Goderie, M, Spierings, F. & S. ter Woerds (2002). Illegaliteit, onvrijwilligheid en minderjarigheid in de prostitutie een jaar na de opheffing van het bordeelverbod. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut & Den Haag: WODC/Ministerie van Justitie.
Horn, J.E. van, Bullens, R.A.R., Doreleijers, Th.A.H. & Jšgers, M. (2002). Aard en omvang seksueel misbruik en prostitutie minderjarige allochtone jongens: een verkennend onderzoek. Amsterdam: Fora, VU Amsterdam.
Meuwese, S. (2000). Kinderen hebben recht op geen seks. in; AA, Nr. 49, 2000 (3), p. 136-143.
Ministerie van Justitie (2003). Eindrapportage NAPS. Brief van de Minister van Justitie, de heer Donner aan de Tweede Kamer, 11 november 2002. 5206892/03/DJC.
Ministerie van Justitie (2002). Privé geweld - publieke zaak. Nota, april 2002. Den Haag: Ministerie van Justitie.
Venicz, L. & Vanwesenbeeck, I. (1998). Aard en omvang van (gedwongen) prostitutie onder minderjarige (allochtone) meisjes. Utrecht: NISSO.

Theo Noten

top page